Het tijdloze bestaan van Wei Wu Wei

Han van den Boogaard

Han van den Boogaard – Verschenen in InZicht nr 3, 2006 – Leestijd is ca. 10 minuten

Het valt zonder veel moeite vast te stellen dat de tijd zoals we die kennen geen objectief  verschijnsel is. Tijd op zichzelf valt niet te zien, te horen of anderszins direct waar te nemen. Tijd is alleen waar te nemen als verandering en alleen als zodanig wordt ze voortdurend ervaren.

Als kind had ik weinig of geen besef van tijd. De klok had geen enkele betekenis voor me. Ik leefde in een tijdsvacuüm, tot de woorden van mijn ouders vat op me begonnen te krijgen: “Wanneer kom je nu eens op tijd?”, “Je hebt nog even de tijd.”, “Wat gaat de tijd toch snel!”. Hun en mijn bestaan leek verdeeld te zijn in verleden en toekomst en ontelbare ‘momenten’. De aard van de tijd leek besloten te liggen in het tikken van de klok en het opkomen en ondergaan van de zon. En om het allemaal nog ingewikkelder te maken, bleek de tijd nog rekbaar te zijn ook, op een manier die net zo ondoorgrondelijk voor me was als de klok dat ooit was geweest. Later, tijdens mijn studie, leerde ik dat onze tijdservaring afhangt van de hoeveelheid gebeurtenissen of veranderingen die we binnen een bepaald tijdsbestek kunnen opmerken. Maar de tijd zelf werd beschouwd als een onaantastbaar verschijnsel dat onafhankelijk van ons een eigen leven leidt dat tot op de miljoenste seconde te volgen en te meten is, als een eindeloze reeks zandkorrels op een onafzienbaar strand.

Maar het meetbare wordt in het Sanskriet aangeduid als maya, het illusoire aspect van het bestaan. De Meesters uit het verleden beweerden zonder blikken of blozen dat de tijd zoals we die menen te kennen en te ervaren, een idee is, een concept dat geen bestaan los van onszelf kent. Kon dat waar zijn? Het zou betekenen dat mijn bestaan als individu op reis ‘door de tijd’ een illusie was.

Het bleek een illusie op de dag dat ik onderweg naar mijn werk strandde op een treinstationnetje ergens in het zuiden des lands. Ondanks de hinderlijke onderbreking van mijn dagelijkse routine voelde ik een soort opluchting. Er ontstond ruimte in me. Overal sprongen details onverwacht helder uit het algemene beeld naar voren: stukken boomstam waar de zon op scheen, een merel op zoek naar voedsel tussen de struiken, een fietser die onverschillig voor het station langsfietste. Het waren dezelfde soort details die ik me herinnerde uit mijn kindertijd, als ik alleen buiten was en niets speciaals te doen had. Ik had het vreemde gevoel me in de situatie te bevinden, maar er toch geen deel van uit te maken. De opeenvolging van gebeurtenissen had plaats binnen een uitgestrekte leegte waarin alle dingen hun plaats hadden en in de juiste verhouding tot elkaar stonden. Ze werden los van welk uitgangspunt dan ook waargenomen, zonder eigenschappen of begrenzingen. Er was geen sprake van welke tijdsbeleving dan ook.

Waarom had ik nooit begrepen wat al die leraren en Meesters beschreven hadden? Ik had ze nooit letterlijk genomen. Ik dacht dat ze op symbolische wijze iets probeerden te verwoorden, maar ze zeiden precies wat ze bedoelden. Er was een Meester van deze tijd voor nodig om dat in te zien. Als Wei Wu Wei maakte de Ierse aristocraat en schrijver Terence Gray in de jaren ’50 en ’60 op zijn eigen unieke wijze duidelijk dat we de Meesters op hun woord dienen te geloven:

“De Meesters spraken over dat wat ze uit ervaring wisten. Hun woorden roepen geen controverse op, noch de behoefte om er commentaar op te leveren. Hun woorden vallen rechtstreeks bij ons binnen, als stenen die in een vijver worden gegooid, helder en definitief als de waarheid zelf.”

Tegelijkertijd gaf hij aan hoe lastig het is die stenen als waarheid te herkennen: “Ik realiseer me steeds meer dat de Meesters antwoord gaven op vragen die gesteld werden door mensen van een ander ras, een ander tijdperk en een andere culturele achtergrond, en ik betwijfel of alle vertalers begrepen hebben wat ze hebben gezegd, intellectueel dan wel intuïtief. We moeten hun woorden herformuleren in ons eigen idioom, niet via een vertaling maar vanuit ons eigen begrip.”

Dat is precies wat Wei Wu Wei deed, op alle manieren die hem als schrijver ter beschikking stonden: via prozagedichten, intrigerende beschouwingen, verontrustende dialogen en aforismen.

Ook over het verschijnsel tijd schreef hij als een oude Meester in onze moderne tijd: “Het verleden is een herinnering, d.w.z.: een idee, een bewustzijnsobject. De toekomst is een beeld, is eveneens een idee, een bewustzijnsobject. Het heden, dat we nooit kennen tot het verleden geworden is, is daarom ook een idee, een denkbeeld, een bewustzijnsobject. Geen van drieën zijn ze echt, ze zijn allemaal denkbeeldig. Tijd bestaat niet. Het eeuwige heden, het nu-moment, het interval tussen gedachten dat we normaal nooit waarnemen, is als enige werkelijk.”

In zijn analyse neemt Wei Wu Wei ook de ruimte mee als een onlosmakelijk aan de tijd gebonden concept waarvoor dezelfde waarheid geldt: “Ruimte is een veronderstelling waarvoor geen enkel bewijs te vinden is. Het is niet meer dan een volledig onnodige complicatie die een helder zicht op de werkelijkheid in de weg staat. Ruimte komt slechts voort uit het feit dat dingen los van elkaar en één voor één waargenomen worden, een gevolg van ons aangeboren onvermogen om meer dan één waarneming tegelijkertijd te doen. Ruimte is een afgeleide, een bijverschijnsel van het feit dat we dingen als onafhankelijk zien, van het feit dat we überhaupt dingen zien, d.w.z. van het feit dat we kijkers zijn, dat we afgescheiden zijn van de eenheid. Ruimte is daarom afhankelijk van het bedrieglijke denkbeeld van het zelf.”

“We lijken te bestaan omdat we continuïteit lijken te bezitten. Onze continuering in de tijd, lang of kort, onze groei en ontwikkeling, ons proces van geboren worden, opgroeien, ouder worden en sterven lijkt plaats te vinden, of zich, zoals we dat meestal uitdrukken, uit te strekken in de tijd, zodat wat we zijn zich laat aanzien als iets dat continuïteit heeft, een wordingsproces, binnen het raamwerk van de ‘ruimte’… Ons verschijnen is noodzakelijkerwijs afhankelijk van de concepten ‘ruimte’ en ‘tijd’, want zonder die concepten lijken we niet te kunnen bestaan.”

Wei Wu Wei raakt hiermee aan de kern van onze menselijke situatie. Onze waarneming verloopt niet continu, maar is opgebouwd uit losse elementen die elkaar zo snel opvolgen dat ze in elkaar overvloeien en zo de indruk van continuïteit geven. Omdat we onszelf als één van de losse elementen in de ruimte zien, moet die ruimte wel als continuïteit onafhankelijk van ons en buiten ons bestaan.

Tijdloos bestaan zonder individuele identiteit is geen ervaring, en daarom wellicht onmogelijk te beschrijven.

Het geloof in een individueel zelf met een objectieve verschijningsvorm creëert via het waarnemingsproces een objectief universum van tijd en ruimte. Anders gezegd: de illusie van ruimte en tijd valt samen met de illusie van ons bestaan als individu. Wordt die illusie doorzien, dan wordt gezien dat we het waarnemen zelf zijn, en dat het individu slechts een object is als andere objecten, een verschijnsel binnen, of beter nog: een verschijning van het ene Bewustzijn, net als ruimte en tijd, zonder een onafhankelijk bestaan buiten dat waarnemend Bewustzijn. De conclusie die Wei Wu Wei trekt is in dit licht bezien helder en volkomen juist: “Bevrijding is niet slechts bevrijding van het ‘wie?’, maar ook van het ‘waar?’ en het ‘wanneer?’. Het subject dat zichzelf ervoer als een objectief verschijnsel, gelooft niet langer in het onmogelijke, en weet eindelijk wat het altijd is geweest, en wat de wereld der verschijnselen altijd is geweest iets dat geen wie, waar of wanneer kent.”

Tijdloos bestaan zonder individuele identiteit is geen ervaring, en daarom wellicht onmogelijk te beschrijven. Toch wist Wei Wu Wei in zijn prozagedichten de smaak ervan op een bijna tastbare manier te suggereren. Juist dat maakt hem, in zijn verwoording van het Onuitsprekelijke, tot een van de grootste Meesters van onze tijd. Hoe zou ik, geboorteloos en zonder te sterven, kunnen ‘leven’? Hoe zou ik, die nooit geleefd heeft, kunnen ‘sterven’? Tijdloos en oneindig, niet uitgestrekt in ruimte-tijd, zonder te leven, te sterven of te zijn, BEN IK. P.S.: En dat geldt ook voor jou.

Han van den Boogaard

Han van den Boogaard (1956) maakte na het afronden van zijn studie psychologie in 1980 een reis naar het Verre Oosten. In India bezocht hij onder meer de ashram van Osho. Deze reis is van grote invloed op hem geweest. In de jaren 1990 verdiepte Han zich vooral in het gedachtegoed van zen. Vervolgens raakte hij geïnteresseerd in de boeken en geschriften van Barry Long en in de jaren daarna werd hij geïnspireerd door het leven van Ramana Maharshi. Hij schreef daarover de biografie Sprekende Stilte – Leven en leer van Sri Ramana Maharshi. Kort daarna schreef hij zijn eerste artikel voor InZicht, tijdschrift over non-dualiteit, waarvan hij een aantal jaar hoofdredacteur was. Zijn laatste boek Zen en de kunst van het kijken verscheen in april 2018.

Over Wei Wu Wei

Tussen 1958 en 1974 zag een serie van acht bijzondere boeken het daglicht. Ze werden geschreven door Terence Gray, een aristocraat van Ierse afkomst die een vooraanstaande positie in de Engelse toneelwereld had ingeruild voor een contemplatief bestaan als schrijver en filosoof op zijn landgoed in Zuid-Frankrijk. De teksten (essays, dialogen, korte beschouwingen, gedichten en eenregelige aforismen) bevatten regelmatig op het oog bizarre paradoxen. De schrijver zelf hulde zich in dichte nevelen door zich te verschuilen achter het pseudoniem Wei Wu Wei. Hij liet bewust zo weinig mogelijk sporen achter die iets zouden kunnen prijsgeven van zijn persoonlijk leven. Die strategie typeerde hem en sloot naadloos aan bij zijn uitgangspunt dat er in feite niemand is om iets over te weten te komen.

De inhoud van de boeken kan als één groot werk worden beschouwd dat in zijn fundering steunde op tal van bronnen: taoïstische teksten van met name Lao Tse en Tswang Tse, boeddhistische basiswerken als de Hart-, Diamanten Lankavatrasoetra’s en teksten van Padma Sambhava, de geschriften van de Chinese Ch’an-Meesters Hui Neng, Huang Po en Hui Hai, en de opgetekende woorden van Sri Ramana Maharshi. Als geen ander heeft Gray de teksten van deze Meesters doorgrond en als Wei Wu Wei opnieuw onder woorden weten te brengen: Waar ik ben kan geen duisternis zijn, want in mijn Aanwezigheid kan duisternis slechts Licht zijn.

Objecten zijn niets dan mijn schijnen; hun kleuren zijn de weerkaatsing van mijn Licht, want zonder mij kunnen ze niet verschijnen, en zonder hen kan ik niet gekend worden.

Er bestaat geen ‘ruimte’ als ik niet schijn, noch ‘tijd’, de maatstaf van mijn schijnen. Mijn schijnen is de verschijning van objecten, En het schijnen is mijn verschijnen als Licht.

Ik droom het universum, en alles wat ik droom is ik, ik die niet ben.

Ik droom het universum, en jij neemt het waar.

De boeken van Wei Wu Wei verschenen onder de volgende titels: Fingers pointing towards the moon (’58), Why Lazarus laughed (’60), Ask the Awakened (’63), All else is bondage (’64), Open secret (’65), The tenth man (’66), Posthumous pieces (’68) en Unworldly wise (’74).

BTW 098765432 | KvK 765321 | © Copyright 2018 – InZicht magazine voor non-dualiteit | webdesign by Lucid Studio