Hoe bodemloos diep de Leegte, hoe wonderlijk de talloze vormen

Ton Lathouwers

Ton Lathouwers – Verschenen in InZicht nr 4.2006 – Leestijd is ca. 11 minuten

Advaita, zen en de
joods-christelijke traditie

Volgens de legende vindt zen zijn oorsprong bij Bodhidharma. Deze boeddhistische monnik kwam in de vijfde eeuw uit India naar China, zat daar negen jaar voor een muur te mediteren en had weinig op met traditionele teksten. Slechts een enkele soetra, de Lankavatara soetra, vond genade in zijn ogen. Deze soetra ligt dan ook aan de basis van wat later het zenboeddhisme zou worden.

De Lankavatara soetra kenmerkt zich meer dan andere boeddhistische teksten door het uitdragen van de non-dualiteit. “Alle dingen zijn niet-twee”: het wordt er voortdurend benadrukt. Zo werd dit “alle dingen zijn niet-twee” ook een van de handelsmerken van zen. Frappant is, dat dezelfde soetra aan het zenboeddhisme ook zijn tweede karakteristiek meegaf: “woorden kunnen het wezenlijke nooit uitdrukken”. Die achterdocht jegens elke poging tot verwoorden vinden wij in de zen-traditie steeds terug. Een van de aangrijpendste voorbeelden daarvan is Linji (Rinzai), de stichter van een van de twee hoofdrichtingen binnen het zenboeddhisme, die vooral bekend is om zijn paradoxale kreet: ‘Dood de Boeddha!’ Zelfs over zijn eigen onderricht merkt hij schamper op: “Klamp je ook niet vast aan mijn boude beweringen. Omdat ook die boude beweringen de basis van een draagvlak missen. Ze zijn als vormen die voor even op een lege hemel geschilderd worden.” Na zo’n uitspraak kun je je ook afvragen, of de authentieke ervaring van het nonduale alleen maar verwoord wordt door de taal die we daarover gewoonlijk horen. Zouden non-dualiteit en radicaal zelfonderzoek ook niet schuil kunnen gaan achter heel andere ver woordingen? Ook waar we dat helemaal niet verwachten?

Terug naar Bodhidharma. Want er is bij deze wonderlijke figuur meer te vinden, dat ons kan helpen bij het verstaan van uitdrukkingen waarmee non-dualiteit op het eerste gezicht niet goed te rijmen valt. Bodhidharma is namelijk ook bekend om zijn uitdrukking: ‘rechtstreeks van hart tot hart’. Deze uitdrukking is zelfs de meest karakteristieke leus geworden van de zentraditie: I shin den shin. Rechtstreeks van hart tot hart: het lijkt een vrije vertaling van wat de apostel Paulus bedoelt met de uitdrukking: ‘van aangezicht tot aangezicht’. Maar hier is ‘aangezicht’ niet langer het tot object geworden gelaat van de ander. En de kritiek van Douglas Harding en anderen op uitdrukkingen als ‘van aangezicht tot aangezicht’ geldt alleen, wanneer het gelaat van de ander inderdaad wordt opgevat als object buiten en tegenover ons.

Zouden non-dualiteit en radicaal zelfonderzoek ook niet schuil kunnen gaan achter heel andere ver woordingen? Ook waar we dat helemaal niet verwachten?

Er is nog iets in de zentraditie waarover we ons kunnen verbazen en waaruit opnieuw blijkt hoe bewust dubbelzinnig de houding van zen is tegenover elke expressie in woord en beeld. Huang Po, de leraar van Linji, was geniaal in het in stukken hakken van Boeddhabeelden. Maar diezelfde Huang Po bewees op andere momenten alle eer aan diezelfde beelden. Ook bleef hij zich tot het eind van zijn leven in de zelfde klassieke boeddhistische teksten verdiepen, die hij ten overstaan van zijn leerlingen zo vaak onderuithaalde.

“Christenen beweren dat het wezen van God liefde is. Er wordt zelfs gezegd, dat liefde God is.

Die bewust dubbelzinnige houding is ook terug te vinden bij Hisamatsu en Masao Abe, de twee belangrijkste vernieuwers van zen in onze tijd. Van de ene kant waarschuwen ook zij voortdurend tegen het hechten aan woorden. Van de andere kant schuwen ze zelfs het gebruik van termen uit de christelijke mystiek niet. We komen bij hen uitdrukkingen tegen als: “God is niet-iets”, “God is lichtende duisternis”, “scheppen uit het niets”, “verrijzenis uit de dood” en “eeuwig leven”. Vooral wat Hisamatsu, toch een zenboeddhist in hart en nieren, schrijft over de grenzeloze liefde en over de werkelijkheid van vergeving zal voor velen een openbaring zijn:

“Christenen beweren dat het wezen van God liefde is. Er wordt zelfs gezegd, dat liefde God is. Dit is heel belangrijk. Louter vanuit de ethiek is dit niet te vatten. Zonden vergeven en liefhebben voorbij alle opvattingen over goed en kwaad is iets, dat voorbij het domein van kennis en moraal valt (…) In het christendom vergeeft de God van liefde de zogenaamde erfzonde. De last van alle menselijke zonde rust op de schouders van God. Omdat de menselijke conditie beklagenswaardig is vergeeft God ons onze zonden. Er is verzoening. Hoe open en warm is zo’n hart! In plaats van liefde te voelen voor een bepaald iemand is dit hart oneindig wijd en warm. Het bestaan van zo’n hart verwarmt de wereld. En hoe meer mensen er zijn met zo’n hart, des te lichter, warmer en rechtvaardiger de wereld wordt”.

“Met nieuwe ogen zien, met nieuwe oren horen”

Dit alles kan een perspectief bieden voor een dieper verstaan van de christelijke taal. Dat geldt ook voor de visie die zowel Hisamatsu als Masao Abe hebben op het evangelie en de persoon van Christus. Voor hen zijn de woorden van Christus vol innerlijke tegenspraak in de stijl van zen. Het ging Christus allereerst om het innerlijk ontwaken van zijn toehoorders. Zij moesten leren zien met nieuwe ogen en leren horen met nieuwe oren.

Misschien kan ik die andere lezing van het evangelie het best verduidelijken aan de hand van een tekst van Sjestov. Ook deze joods-Russische auteur, in wiens hele oeuvre het plotselinge ontwaken een sleutelbegrip is, blijkt het evangelie te lezen als een in paradoxen verwoorde oproep tot dit ontwaken. Hij gebruikt daarbij zelfs een beeld dat helemaal overeenkomt met een soortgelijke voorstelling in een bekende klassieke zentekst:

“’Wat is waarheid?’ vroeg Pilatus aan Christus. Christus gaf hem geen antwoord en kon hem ook niet antwoorden. Niet uit onwetendheid, zoals de heiden voor hem zo graag zou geloven, maar omdat die vraag niet met woorden kan worden beantwoord. Het zou nodig geweest zijn om het hoofd van Pilatus beet te pakken en het honderdtachtig graden te draaien, zodat hij dan misschien zou kunnen zien wat hij nooit eerder had gezien.”

Ook Dostojewski, een van Sjestovs favorieten, dient hier weer genoemd te worden. In diens roman ‘ De Idioot’ komt een passage voor, waarin de hoofdfiguur aan zijn gesprekspartner duidelijk maakt dat elke poging om de kern van het religieuze in woorden te vangen de mist in gaat. In zijn eigen taal herhaalt hij hier de boodschap die wij voortdurend beluisteren in zen.

Er wordt in diezelfde passage echter nog iets opmerkelijks gezegd, iets dat alles te maken heeft met de tweede karakteristiek van zen die tot uitdrukking komt in de woorden ‘van hart tot hart’ oftewel in bijbelse taal ‘van aangezicht tot aangezicht’. Wanneer de hoofdfiguur, prins Mysjkin, toch wat meer wil zeggen over de kern van het religieuze, gebruikt hij het beeld dat een Russische volksvrouw daarvan had. Zij vertelde hem hoe een moeder die vol vreugde de eerste glimlach van haar kind beziet, precies uitdrukt wat de liefde van God is voor ons, voor heel de schepping. Het is bovendien een beeld dat onmiddellijk de eerder geciteerde woorden van Hisamatsu over ‘Gods liefde’ in herinnering roept.

Maar er is hier meer aan de hand. De woorden van Mysjkin kunnen alleen maar begrepen worden tegen de achtergrond van een andere opmerking die hij maakt, namelijk dat “de schoonheid de wereld zal redden” . Mozart en Shake speare worden met name genoemd. Maar het geldt natuurlijk voor alle schoonheid en alle authentieke kunstuitingen, waartoe ook religieuze voorstellingen behoren. Het beeld van moeder en kind dat Dostojewski gebruikt is ontelbare keren uitgebeeld op Russische iconen en muurschilderingen. Het is het meest sprekende beeld dat Rusland kent. Zelfs atheïstische Sovjetdichters hebben er ontroerende verzen over ge schreven en er hun eerbied voor betuigd.

‘De schoonheid zal de wereld redden’. Het is mooi gezegd. Maar vinden we daarvan ook iets in het zenboeddhisme terug? Ja, wel degelijk. Deze woorden van Dostojewski klinken ook door in de uitroep van de beroemde Chinese lekenzenbeoefenaar P’ang: “Hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend, ik put water, ik draag brandhout.” We kunnen water en brandhout onmiddellijk aanvullen met alle ‘ontelbare wonderen die opbloeien aan de oneindig diepe Leegte’, zoals het in de zentaal heet. Hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend, dat er een ‘eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd is’, zoals dat bijvoorbeeld door Douglas Harding ontdekt wordt. Maar evenzeer geldt: hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend dat er een van hart tot hart ontmoeten bestaat, zoals die volksvrouw bij Dostojewski dat ontdekt in moeder en kind. Dat soms gewantrouwde ‘van aangezicht tot aangezicht’ kan dan plotseling een even groot en even onbegrijpelijk wonder zijn. Het is maar juist waar bij iemand de vonk overspringt, waar we de werkelijkheid ontdekken met een nieuw hart. En daar ligt ook de oorsprong van alle authentieke kunst.

Hebben we nog wel gevoel voor symboliek?

Misschien kan dit alles ons helpen om beter te verstaan wat met symbolische beelden bedoeld wordt. Misschien kunnen we zo ook loskomen van een te realistische interpretatie van christelijke religieuze symbolen. Een ontroerend voorbeeld: wat Dostojevski zijn romanfiguur laat zeggen over het kijken van de moeder naar haar kind als religieus archetype lijkt te worden uitgewerkt door de Joodse schrijver Herman Broch. Aan het einde van zijn roman De Dood van Vergilius , een van de meest mystieke boeken in de Duitse literatuur, beschrijft hij dit beeld als de diepste religieuze openbaring die Vergilius vlak voor zijn dood heeft:

”En daar, midden in het schild van de wereld werd het zichtbaar, in een oneindige diepte, ginds onthulde zich in een oneindigheid van menselijk leven en zijn voor het laatst en toch voor het eerst de vrede die geen strijd meer kent, het menselijk gelaat vervuld van vrede, aan strijd ontstegen, zichtbaar als het beeld van het kind in zijn moeders armen, vereend zij beiden in smartelijke liefde. Zo zag hij hen, zo zag hij het kind, de moeder, en zo nabij en vertrouwd waren ze hem dat hij haast hun naam kon noemen, al kende hij die niet; maar nog veel vertrouwder dan het gezicht en de onvindbare naam was de glimlach die moeder en kind verbond, alsof in die glimlach heel de zin van het oneindig bestaan besloten lag…”

Ditzelfde archetype, met dezelfde religieuze duiding, vinden we ook terug bij de Russische atheïstische schrijver Zamjatin. Tot tweemaal toe duikt het bij hem op: zowel in zijn roman Wij als in zijn novelle Verhaal van het allerbelangrijkste, allebei werken met als rode draad een innerlijke ommekeer die overeenkomt met de hergeboorte waar zen en advaita over spreken. In het laatstgenoemde werk speelt het archetype van de Moeder zelfs de hoofdrol. Ze verschijnt er als de ‘Moeder die al ontelbare kringlopen lang de Moeder is’, die ‘boven alles en allen staat’ en uit wie iedereen ooit geboren is. Zij is ook de enige die weet waarheen wij op weg zijn. Zij alleen kent het geheim dat redding brengen kan. Haar gestalte tekent zich af tegen het vlammend firmament, als een teken aan de hemel: lot en belofte tegelijk. Het is een voorstelling die doet denken aan een beeld uit de Apocalyps: de Vrouw in barensweeën die zwanger is van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Deze voorbeelden uit de literatuur noem ik zo nadruk-kelijk, omdat ze een andere kijk kunnen geven op de religieuze uitbeeldingen van onze eigen westerse traditie. Wij kunnen ons allereerst afvragen wat de auteurs met deze voorstellingen willen uitdrukken. Een letterlijk te nemen realiteit? Dan zou het bijgeloof zijn. Er is toch niemand die dat gelooft. Nee, het is een vinger die wijst naar de maan , zoals het is zen heet. Het is de schoonheid die de wereld zal redden waarover Dostojewski sprak. Hier wordt uitgebeeld hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend het bestaan is en hoe ontroerend het zich soms manifesteert.

Misschien hangt er ook veel af van onze persoonlijke geaardheid. Sommige mensen zijn gevoelig voor symbolen, andere weten er geen raad mee. Tolstoj reageerde steevast bij elke symbolische uitdrukking van het christendom met een: ‘Dit is klinkklare nonsens’, terwijl diezelfde voorstellingen Dostojevski in verrukking brachten. Misschien zal het altijd zo blijven. Wij zijn allemaal verschillend. Sommigen zullen vooral geraakt zijn door de schoonheid van kunst en poëzie, en allereerst die taal verstaan. Anderen zullen de voorkeur geven aan een meer formele, theologische taal. Beide expressies hebben hun eigen mogelijkheden en hun eigen risico’s. Maar hopelijk zal de kunst voor velen toch nieuwe wegen kunnen openen. Op die mogelijke betekenis van kunst en literatuur voor een religieus reveil is enkele decennia geleden al gewezen door de bekende godsdienstpsycholoog Prof. Han Fortmann.

“En mijn hele leven is een gebed en een mis, een communie met de ogen en door de oren.”

Zo kan, via de schoonheid in kunst, symboliek en literatuur, een nieuw verstaan van de christelijke expressie ontdekt worden. Ook ten aanzien van zaken waar zelfs binnen het christendom niet iedereen raad mee weet, zoals de katholieke Mariaverering. De voorbeelden hierboven kunnen ons hier de weg wijzen. Maar ook de eucharistieviering kan op deze wijze dichterbij komen. Er is een ontroerende versregel van de Portugese dichter Pessoa, waarin deze de liturgische eucharistie transponeert naar heel de werkelijkheid:“En mijn hele leven is een gebed en een mis, een communie met de ogen en door de oren.”

En wat te denken van een soetra uit de mahayana traditie waarin letterlijk staat: “de bodhisattva legt de gelofte af, dat zij haar lichaam en bloed zal blijven uitdelen als voedsel voor alle levende wezens, zolang als het bestaan in ruimte en tijd zal duren”? Blijkbaar gaat het hier om een archetype dat overal leeft maar in het christendom zijn unieke uitdrukking vindt.

‘Tot welke gewijde traditie behoort U?’

Dit alles is belangrijk. Want het is de vraag of de huidige ontdekking van non-dualiteit en zen door het Westen niet het privilege is van een kleine minderheid. Ik denk daarbij ook aan de mening van de Dalai Lama. Deze belangrijkste spreekbuis van het boeddhisme blijft benadrukken, dat het Westen zijn religieuze verdieping toch vooral zou moeten zoeken in de wortels van de eigen christelijke traditie.

Kunt u het zich al voorstellen: na de huidige periode, die de beroemde antropoloog Mircea Eliade ooit kenmerkte als een drastically desacralised existence, nu eindelijk weer overal indrukwekkende katholieke en Russisch-orthodoxe litur gieën? We mogen ons weer verheugen in prachtige gewaden, veel wierook, gezang en iconen om ook zo het mysterie van dood, opstanding en eeuwig leven te vieren. Maar nu wordt alles beleefd met nieuwe ogen en nieuwe ore n en vooral met een nieuw hart, een hart dat door non duality getekend is. Hoe wonderbaarlijk en ontzagwekkend!

Natuurlijk zal er voor een beter wederzijds verstaan eerst een grondige vertaalslag nodig zijn in beide richtingen. Dat zal veel tijd, geduld, inzet en vooral deemoed vragen. Maar misschien breekt er een tijd aan, waarin advaita-aanhangers, zen-adepten en herboren christenen elkaar leren begroeten met de woorden, waarmee reizigers in het Verre Oosten elkaar eeuwen geleden tegemoet traden: ‘Tot welke gewijde traditie behoort U?’ Om elkaar tenslotte, bij de ontdekking van zoveel nieuw leven in de religieuze brouwerij, ook nog een welgemeend ‘het bier is weer best’ toe te roepen.

Ton Lathouwers

In 1968 werd Ton Lathouwers benoemd tot gewoon hoogleraar Russische letterkunde te Leuven, met een nevenopdracht aan de theologische faculteit: religieuze thematiek in de moderne literatuur. In 1987 verkreeg Ton Lathouwers zijn officiële autorisatie (transmissie) als leraar Chinese Rinzai Chan van de Chinese Ch’anmeester Teh Cheng. Sindsdien begeleidt hij zengroepen in Nederland, België en Zweden.

BTW 098765432 | KvK 765321 | © Copyright 2018 – InZicht magazine voor non-dualiteit | webdesign by Lucid Studio