Brieven van thuis

J.C. Amberchele en Berzie G.

J.C. Amberchele en Berzie G. – Verschenen in InZicht nr 1, 2005 – Leestijd is ca. 10 minuten

J.C. Amberchele is de auteursnaam van een gevangene, die in een Amerikaanse gevangenis zit. Brieven van zijn hand zijn de afgelopen jaren in InZicht verschenen. Dit is er een van. 

Juist voor Kerstmis probeerde mijn dochter zichzelf te doden door in een keer 150 pijnstillers samen met een fles wodka door te slikken. Als ze in het hospitaal weer uit een coma ontwaakte (een vriend had haar gevonden en de 911 gebeld), zei ze ontredderd te zijn door het feit dat ze nog leefde.

Deze zelfmoordpoging was het dieptepunt van drie jaar van depressies, beginnend met de dood van haar broer (haar beste vriend) en eindigend met een rampzalig huwelijk. Daar ze nog steeds suïcidaal was, raadden haar vrienden haar af om mij in de gevangenis te bezoeken. Ze waren ervan overtuigd dat dit haar ‘vaarwel’ voor mij zou zijn. Maar ze kwam toch en op een bepaald moment van het bezoek, radeloos zoals ik zelf ook was, besloot ik haar het experiment met de wijzende vinger van Douglas Harding te tonen. Ik herinner mij niet meer of ik haar gezegd heb waarom, maar ik denk dat ik het voorgesteld had als een ‘spel’ of een ‘interessante eigenaardigheid’.

In deze gevangenis is de bezoekerskamer meestal eivol en de tafels staan dicht bij elkaar. Maar ik wist dat mijn dochter nagenoeg alles wilde proberen. Dus vroeg ik haar te wijzen naar een stoel, om de vorm, de kleur, de ondoorschijnendheid ervan op te merken en te zien dat het een ‘ding’ is ‘daarbuiten’. Dan wees ze naar haar voet, om ook op te merken dat het een vast ‘ding’ is, met kleur en structuur. Ze wees naar haar knie, haar dij, haar buik en tenslotte haar borst, om telkens weer die kwaliteiten van vorm en ‘ding-zijn’ op te merken.

En dan wees ze naar de plaats van waaruit ze keek, en ik vroeg haar om haar aandacht 180 graden om te keren en me te vertellen wat ze zag niet wat ze dacht te zien, niet wat ze geleerd had, maar wat ze werkelijk zag op dat moment. Ze zei: “Mijn neus?”. En ik antwoordde: “Oké, een neusvlek. En wat nog?” Na enige aarzeling, waarbij ze verward keek, zei ze: “Mijn gezicht?” En ik zei:”Zie je echt je gezicht?” Wat daarna gebeurde is werkelijk een van de meest gedenkwaardige momenten in mijn leven: zij schrok, verstijfde en de tranen rolden letterlijk over haar wangen. Terwijl ze haar gezicht bedekte met haar handen, kreunde ze en toen ze mij weer aankeek, zei ze: “Oh, mijn God, het is daar altijd al geweest!”

Wat daarna gebeurde is werkelijk een van de meest gedenkwaardige momenten in mijn leven: zij schrok, verstijfde en de tranen rolden letterlijk over haar wangen.

En dat was het begin, het begin van het einde van een leven dat niet werkte. Hier was een vrouw die in het afgelopen jaar haar goedbetaalde job verloor, haar huis, haar auto’s, alles, en die nu dakloos was en totaal aan de grond zat. Over het moment daar in de bezoekerskamer schreef ze mij: “Ik zag het meteen. Het bracht me terug tot wat ik mij herinnerde als kind. Alsof een licht werd aangestoken, mijn gave was terug! De lijdende ‘ik’ was ik helemaal niet. Wat een klucht! O, ik snapte het, jazeker je kunt er niet naast kijken! Vuurwerk, tranen, kippenvel, het was er allemaal!”

En in de volgende weken schreef ze: “Ik heb weinig of geen geld, maar dat lijkt van geen belang. Voor de eerste keer realiseer ik me dat ik gelukkig ben. Ik kon geluk vroeger nooit definiëren. Luisteren naar anderen is een vreugde geworden. Als ik ‘zie’, is het alsof ik stop met denken. Ik neem eenvoudig de persoon voor mij op. Ik voel letterlijk hoe zijn woorden in bewustzijn versmelten en deel van mijzelf worden.”

“Ik vraag niet meer waarom, hoe, wat, waar of wanneer: dit is het mooie van Zien. Het is er gewoon, en is er altijd geweest. Er zijn geen vragen bij het Zien. Als ik vandaag met mijn vriend D. sprak, zag ik zijn helderheid. Ik zag iets opmerkelijks: er stond niets in onze weg, geen afstand, geen ruimte, geen barrières. Dit soort vrede heb ik vroeger nooit gevoeld.”

“Zien gebeurt als ik het minst verwacht. Als het gebeurt, is niets meer hetzelfde. Ik weet niet hoe anderen het ervaren en of het meteen hun leven verandert, maar voor mij was het zo. Ik weet dat het voor anderen raar kan klinken, maar ik Zie ook als ik iets aan het doen ben, karweitjes opknap, een boek lees, tv-kijk, iets eet (bord, vork, voedsel… ik steek het in… Niets!). Het is ook niet iets dat ik moet proberen te doen. Bewustzijn neemt het eenvoudig over.”

Later zond ze mij een aantekening uit haar dagboek: “Ik houd van het Zien als ik in slaap val. Meestal had ik een moeilijke tijd voor het inslapen, met gedachten van de voorbije dag die rondspookten of over wat er morgen moest komen. ‘Zien’ voor het inslapen was eerst moeilijk, maar nu is het rustgevend en troostend. Ik sluit mijn ogen en ben in ‘nospace’, het universum. Zijn onmetelijkheid is onpeilbaar, en toch ben ik niet niets in mijn ‘Niet-iets’. Het is hier. Wat daar is, is hier. Het is als een slaapliedje en ik glijd vredig in slaap. Ik doe dit ook in de dag. Ik sluit mijn ogen en zie ‘Niet-iets’. Ik verbeeld me dat ik geen gezichtsvermogen heb, geen manier om de visuele wereld te ordenen. Ik heb niets, geen geheugen, geen idee waaruit de omgeving bestaat. Binnenin zie ik alleen een onmetelijkheid, geen woorden zijn in staat om er de grootte van te beschrijven. Het is een plaats waar alles gebeurt en ik ben dit allemaal, onaangeroerd en onaanraakbaar.”

“Als kind kende ik mezelf als deel van de wereld. Het was mijn wereld. Zelfs als ik naar buiten keek, zag ik ook mezelf binnenin, alsof ik tezelfdertijd naar buiten en naar binnen keek. Er was een licht en een gedachte, vele gedachten voortbouwend op andere gedachten, een leegte en toch geen leegte.”

“Als kind werd mijn naam dikwijls veranderd (mijn ouders waren op de vlucht voor de politie). Hoe dikwijls mijn ouders ook die nieuwe naam in mijn geheugen prentten, het was altijd Mezelf, mijn beste vriend. Ik vertrouwde dit innerlijk licht. Ik herinner mij dat ik tevreden was om alleen maar te zitten en te Zien. Ik wist niet dat dit een naam had. Ik maakte mezelf wijs dat ik iets speciaals had en dacht dat niemand anders deze bijzondere gave had. Als ik in de spiegel keek, zag ik een klein meisje dat leek op mijn ma en pa en broer. Ik zag de littekens (hondenbeet) en de droevige ogen. Maar ik weet nog dat ik zei: Dat ben ik niet, de echte ‘ik’ is als ik niet naar mezelf kijk! Ik lachte en was tezelfdertijd getroost.”

“Mijn ouders waren drugdealers.Ze namen het ook niet zo nauw met hun ouderschap en ik werd blootgesteld aan dingen waar de meeste kinderen zelfs niet over gehoord hadden. Maar ik kon altijd ‘naar binnen’ gaan. Ik kon deze bijzondere plaats, die de echte Ik was, vertrouwen, daar kon niets me kwetsen. Maar bij het ouder worden, verloor ik op de een of andere manier deze bijzondere kennis. Het gebeurde zo geleidelijk dat ik niet kan zeggen wanneer het gebeurde. Als teenager herinner ik me dat ik probeerde het gevoel weer op te roepen, maar het lukte niet. Als ik in de spiegel keek, zag ik wat iedereen zag: het uitwendige ‘ik’ met al de fouten, een slachtoffer, iemand die leed en die ik niet vertrouwde.

Maar nu is mijn gave er weer, niet langer totaal verduisterd door gedachten. Ik heb weer contact met de echte Ik. Ik Zie.”

Niet lang daarna kreeg ik een brief waarin ze zei dat ze afgedaald was vanuit de zegenrijke hoogte waar ze de laatste weken geweest was. Er waren geldproblemen. Er waren echtscheidingskwesties, afspraken op de rechtbank. Ze was nog steeds zonder huis en zonder job en de toekomst leek beroerd.

Ze schreef: “Vandaag was ik op een slechte plaats. Op een schaal van 1 tot 10, was dit beslist 10. Ik ben vroeger op die plaats geweest en ik weet hoe ernstig dit is. Ik moest iets drastisch beginnen. Ik was in zo’n ondraaglijke pijn, emotioneel en fysisch. Ik wilde weer dood.

Ik zat op de stoep bij de openbare bibliotheek, vechtend met mijn gedachten, ongerust over de afspraak bij de rechtbank, de ontmoeting met de advocaat, de verplichte psychologische testen. Het leek me allemaal zo nutteloos en verpletterend. Een deel van mezelf wist dat ze de middelen had om deze innerlijke pijn te overwinnen, maar een ander deel wou niet dat ik die gebruikte! Alsof ik sliep en een nachtmerrie had en niet wakker kon worden. O mijn God, word wakker alsjeblieft! Terwijl de mensen voorbijkwamen zat ik daar te wenen. Weet jij hoe moeilijk het is te Zien als je in zo’n toestand bent? Zo ongelooflijk moeilijk. Maar dan gebeurde het. Ik zat daar en keek naar Hier en ogenblikkelijk (zonder overdrijven) zag ik dat er HIER GEEN PIJN was. Ik ben mijn gedachten niet! Er is geen angst op deze ‘no-place’. Ik ben mijn benauwdheid en paniek niet. Ik moet niets doen. Ik ben Hier, of ik nu iets doe of niet! Hier zie ik een enorme wijdopen warmte en ik wil niet langer sterven. Per slot van rekening was dit een goede dag. Ik ben dankbaar voor deze wonderlijke, afschuwelijke tijd die me terug Thuis bracht.”

Een week later ging ze naar de Byron Katie School, voor een tiendaags intensief seminarie, waarbij zelfonderzoek gebruikt wordt om diepgewortelde overtuigingen of ‘verhalen’ omtrent het zogenoemde ‘zelf’ en de ‘wereld’ af te breken. (De retraite wordt aangekondigd als een onderricht in het afleren.) Ze had hiervoor een beurs gekregen en kwam er aan met het idee dat ‘Het Werk’ (zo heet deze vorm van zelfonderzoek) in zekere zin het Zien zou completeren, zodat het haar zou helpen om terug Hier te zijn. Ze eindigde in het besef dat deze twee, veel meer dan complementair, op een onverklaarbare wijze identiek zijn.

Drie dagen later leende ze een rugzak en vertrok alleen naar Centraal Mexico op zoek naar haar uitgeweken moeder, waarmee ze bijna twee decennia lang in onenigheid had geleefd. Toen ze terugkwam, ontving ik het volgende:

“Ik heb haar gevonden, pa. Ik ben overweldigd hoezeer ik van haar houd. Ze is zo mooi. Ik zie de dingen niet die ik vroeger zag. Ik heb niets van haar nodig, ze is perfect zoals ze is. Ik voel alsof deze ‘No-space’ zo ongelooflijk vol komt met acceptatie. Ik ben niet langer in de bedwelming over wie ik ben voor anderen. Ik ben dit Niet-iets die alle dingen bevat. Hierin voel ik de mensen aan op een manier die ik nooit eerder vermoedde, ook hun pijn. Mensen komen naar mij toe en vertellen mij over hun lijden, hun dwaasheden. Waarom komen ze met zovelen naar mij met diezelfde boodschap? Maar ja, iedere persoon is een reflectie van mezelf, ieder woord een wegwijzer. Sinds die keer dat je me geholpen hebt te Zien, ben ik in de hel geweest en terug. ‘Hel’ omdat het leven slechter kan worden en het soms ook is, ‘terug’ omdat ik Hier de stilte en vrede vind die alles omvat. Hoe meer ‘hel’ ik ervaar, hoe meer vrede waar ik terugkeer. Dus ik heb haar gevonden, het weer goedgemaakt met haar en ontdekt dat ik het goedgemaakt heb met mezelf. Ze denkt dat ik gek ben. Wel, als het dat is wat ‘gek’ betekent: ik ben Thuis!”

Als ik dit schrijf, is mijn dochter terug in D., nog steeds zonder job en zonder huis (ze verblijft bij een vriend). Ze heeft geen specifieke plannen, anders dan wat gepland lijkt voor haar. We ondertekenen onze brieven met “Your Ass-backwards Father” en “Your Upside-Down Daughter” en lachen eens goed. Als we naar elkaar schrijven, schrijven we naar onszelf, en het is altijd een zoete verrassing, zelfs zittend op de stoep bij de openbare bibliotheek in een hel vol met tranen.

J.C. Amberchele

J.C. Amberchele werd geboren in Philadelphia (VS), zat op een Quakerschool, ging naar college in Pennsylvania en New York en behaalde een Bachelor in psychologie. Hij was parttime leraar, had allerlei baantjes en leidde een hippiebestaan. Hij handelde in marihuana om in zijn levensonderhoud te voorzien en kwam zo dieper in de criminaliteit terecht. Na zijn arrestatie bestudeerde hij oosterse filosofieën en begon hierover te schrijven. De afgelopen jaren zijn enkele artikelen van zijn hand in InZicht verschenen. Hij zit al ruim 30 jaar gevangen en verwacht niet dat hij snel vrij zal komen.

BTW 098765432 | KvK 765321 | © Copyright 2018 – InZicht magazine voor non-dualiteit | webdesign by Lucid Studio